Sagen zijn niet alleen verhalen over helden en hun heldhaftige daden: wie goed leest, komt ook veel te weten over het dagelijks leven en het gezinsleven van de vroegere bewoners van Scandinavië.
In de sagen zien we vaak de moeizame relatie tussen een jonge jongen en zijn vader. Egils saga, Grettis sagaen Ketils saga hængs zijn hier goede voorbeelden van. In al deze sagen wordt de jonge zoon beschreven als een zogenaamde kolbítr (‘koolbijter’): een jongen die zich niet nuttig maakt, alleen maar zit te luieren bij het haardvuur. Een echte Vikingpuber dus. De vaders in deze sagen proberen de jongens op verschillende manieren te stimuleren (of uit te dagen) om toch de handen uit de mouwen te steken.
Egils saga
Als we het verhaal van Egill bekijken, hebben we meteen een van de slechtste vader-zoonrelaties te pakken. Op driejarige leeftijd is Egill al zo ongehoorzaam en moeilijk in toom te houden dat zijn vader weigert hem mee te nemen naar het feest van zijn opa. Als verklaring geeft hij: ‘nuchter zorg je al voor genoeg problemen’. Egill is ongehoorzaam en gaat toch. Hij draagt een zelfgemaakt gedicht voor dat zo goed wordt ontvangen dat zijn grootvader hem speelgoed geeft.
Op zevenjarige leeftijd is Egill zo’n driftkikker dat andere kinderen wordt aangeraden hem altijd zijn zin te geven. Tijdens een balspelletje verliest Egill. Hij wordt zo boos dat hij zijn tegenstander doodslaat. Egills vader reageert onverschillig, terwijl zijn moeder hem prijst.
De relatie tussen Egill en zijn vader raakt onherstelbaar beschadigd als zijn vader op een dag in berserkerwoede* ontsteekt. Hij doodt eerst de beste vriend van Egill en probeert daarna Egill zelf te vermoorden. Egills stiefmoeder springt tussen Egill en zijn vader in en wordt gedood.
Ondanks zijn woelige jeugd komt Egill goed terecht. Hij wordt hoofdman, een gevierd krijger, hofdichter en een ontzettend rijk man. Hij blijft wel een egoïstisch heethoofd en daardoor toch altijd een buitenbeentje.
Grettis saga
In Grettis saga ontmoeten we de ondeugende, ‘koolbijtende’ luie Grettir. Ook hier is Grettirs moeder liefdevol, en krijgt hij weinig aandacht van zijn vader. Om hem bij het haardvuur weg te halen, wil zijn vader hem klusjes laten doen. Hij stelt voor dat de tienjarige Grettir voor de ganzenkuikentjes gaat zorgen. Grettir vindt dat een minderwaardig klusje voor zwakkelingen. Zijn vader zegt dat als hij deze taak goed uitvoert hun relatie zeker beter zal worden. Grettir gaat hierna toch naar de ganzenkuikentjes. Hij raakt echter al snel verveeld en wordt zo kwaad dat hij de kuikentjes doodmaakt.
Hierna vraagt zijn vader hem om zijn rug te krabben, wederom een minderwaardig klusje. Zijn vader provoceert hem. Hij vindt dat Grettir niets goed genoeg doet en noemt hem lui en nergens goed voor. Uiteindelijk wordt Grettir weer zo boos dat hij een wolkam pakt en zijn vader daarmee over zijn rug krabt.
Als laatste klusje vraagt vader aan Grettir om voor zijn paarden te zorgen. Deze keer martelt Grettir de lievelingsmerrie van zijn vader. Hij doet dit niet om wraak te nemen op zijn vader, maar puur uit wreedheid. Zijn moeder beschermt hem deze keer. Zij vindt dat zijn vader hem ook geen taken moet laten doen die hij niet wil en waar hij niet goed in is.
Grettir is een wreed en ongehoorzaam kind. Maar als volwassen man beschermt hij de gemeenschap waarin hij woont veelvuldig tegen geesten en monsters. Helaas worden zijn daden niet altijd goed begrepen en wordt hij daardoor vervolgd en vogelvrij verklaard.
Ketils saga hængs
Ketill is ook een ‘koolbijter’, zijn vader ziet echter wel iets in zijn zoon en wil hem daarom volwassen taken met verantwoordelijkheden geven. Ketill vindt zichzelf al gauw te goed voor deze taken. Zijn vader geeft hem uiteindelijk een bijl en waarschuwt hem niet in het donker naar buiten te gaan, en zeker niet naar het eiland ten noorden van de boerderij. Hiermee wil hij zijn zoon uitdagen om zijn heroïsche kwaliteiten te laten zien.
Ketill neemt de uitdaging aan en rijdt ’s nachts naar het eiland, waar hij een draak aantreft en verslaat. Het is nog niet echt een moedige heldendaad, meer een ongelukje: Ketill dacht namelijk dat de draak een grote zalm was.
Na dit avontuur wil Ketill gaan vissen met zijn vader, maar deze weigert hem mee te nemen. Ketill gaat toch en doodt tijdens het avontuur dat volgt een banneling die hun vangst probeert te stelen, waardoor vader en zoon uiteindelijk een goede relatie krijgen.
In de sagen lezen we veel herkenbare situaties tussen vaders en hun zoons. Het is echter nog maar de vraag of wij dezelfde opvoedtechnieken moeten gebruiken.
*Zie ook http://medievalboardgames.tumblr.com/post/39404163564/berserkers
Game of thrones expo Amsterdam. Yesterday morning. There was alteady a long waiting line (ca 1 hour) and we only got to be inside for 15 minutes. However, it was worth it!
Senet, an Egyptian boardgame. Found in Toetanchamon’s tomb.
Senet, an ancient, predynastic Egyptian boardgame. It is one of the oldest known boardgames. This one was found in Toetanchamon’s tomb. Toetanchamon often played it with his wife. The game was played as a sort of preparation for the Afterlife.
According to Wikipedia the full name of the game in Egyptian was zn.t n.t ḥˁb meaning the “game of passing”. The biard has 3 rows with 10 squares each. The rules of the game are the subject of debate.
Exotische reizen
De Vikingen hebben verre reizen gemaakt; de verhalen over de ontdekking van Amerika en het plunderen en stichten van nederzettingen in Schotland en Engeland zijn bekend. Dat ze ook naar het Heilige Land hebben gereisd en in Byzantium zijn geweest, is minder bekend, maar niet minder interessant.
De Vikingen hadden verschillende redenen om op reis te gaan. Soms was het puur om te handelen of waren ze huursoldaat in een plaats ver weg; andere keren gingen ze op ontdekkingsreis om zich op nieuwe, onbekende (vruchtbaarder) plaatsen te kunnen vestigen, of maakten ze een pelgrimstocht. Vikingen reisden ook om persoonlijke redenen, om bijvoorbeeld zelf kennis te vergaren. Dat zien we in Laxdæla saga, waar Bolli Bollason naar het Zuiden reist omdat hij respectabeler wil worden en meer kennis over de wereld wil opdoen. In Eireks saga gaat Eirek op zoek naar het paradijs en lijkt hij te worden gestuurd door een hogere macht. In andere gevallen is een verre reis het gevolg van een dronken opmerking of een weddenschap die gemaakt wordt tijdens een drinkgelag.
De verre reizen naar het Zuiden, naar Rome, het Heilige Land en Byzantium bijvoorbeeld, zijn goed gedocumenteerd in de saga’s. Het is interessant om te zien dat er bij reizen naar het Zuiden nooit over ontdekkingen gepraat wordt. Dit wijst erop dat de Vikingen bekend waren met de Grieken, de Romeinen en de plaatsen die ze gingen bezoeken, in tegenstelling tot de reizen die ze maakten naar het Noorden. Daar hadden ze nog nooit verhalen over gehoord, dat waren nieuwe, onbewoonde, gebieden (Groenland) of landen met beschavingen die ze niet kenden (Amerika).
De Vikingen gingen meestal naar Byzantium om te werken als huursoldaat of om gewoon uit eigen wil mee te vechten als heldendaad. Soms gingen ze erheen om handel te drijven, maar dat komt veel minder vaak voor. De legers van voornamelijk noorderlingen in Byzantium worden de Varjagen genoemd; hun verhalen worden beschreven in bijvoorbeeld Íslendingasögur en konungasögur. In Hrafnkels saga wordt Þorkell Þjóstarson genoemd, een IJslander die als huursoldaat naar Byzantium reist. Zijn bijnaam is leppr, verwijzend naar de lichtgekleurde lok in zijn kastanjebruine haar. Een andere man, Sámr, komt bij de rivier Øxará een leger mannen tegen dat aangevoerd wordt door een lange, kleurrijk geklede man die een prachtig versierd zwaard draagt. De aanvoerder stelt zichzelf voor als Þorkell en vertelt dat hij de laatste zes jaar in Byzantium onder de keizer gediend heeft. Daarvoor heeft hij een andere reis gemaakt, die vier jaar duurde.
Byzantium wordt beschreven als een keizerrijk vol rijkdom, met een overvloed aan zijde en goud. De reizigers die terugkeerden naar het Noorden namen veel van die rijkdommen mee. Haraldr Sigurðarson keerde terug in een met goud versierd schip met zijden zeilen en gouden kisten (Morkinskinna).
Het Heilige Land was het reisdoel voor pelgrimstochten en kruistochten. De woorden suðrferð en suðrganga betekenen dan ook niet ‘reis naar het zuiden’ maar ‘pelgrimstocht’; suðrferð wordt vaak gebruikt in teksten waarin men op pelgrimstocht naar Jeruzalem gaat, terwijl suðrganga in de meeste gevallen verwijst naar pelgrimstochten naar Rome. Zowel mannen als vrouwen gingen op pelgrimstocht. Een van de oudste bronnen is een runeninscriptie uit Zweden waarin een vrouw, Ingirun, zegt plannen te maken voor een pelgrimstocht.
Reizigers naar het Heilige Land kwamen veelal om te baden in de Jordaan en om relikwieën mee terug te nemen, om zo het christendom te kunnen verspreiden, zoals koning Sigurðr Magnusson, bijnaam Jórsalafari – ‘Jeruzalemganger’ – in Magnússona saga in Heimskringla. Andere reizigers kwamen naar Jeruzalem om heilige plaatsen te bezoeken, zoals Oddr in Örvar Odds saga.
Wat opvalt in saga’s waarin personen op reis gaan, is dat de reis op zichzelf niet of nauwelijks beschreven wordt; alleen dramatische gebeurtenissen die tijdens de reis plaatsvinden of gebeurtenissen op de plaats van bestemming worden beschreven. Er staat dan vaak iets als: ‘Er valt niets over hun reis te vertellen totdat …’ . In moderne reisverhalen is dat wel anders; we zijn juist ook geïnteresseerd in de ervaringen (en ontberingen!) tijdens de reis.
Een uitzondering op deze regel is een IJslandse abt, Nikulás Bergsson. Nikulás maakte een pelgrimstocht naar Rome en Jeruzalem halverwege de 12e eeuw. Hij heeft een reisdagboek bijgehouden dat hij Leiðarvísir noemde, ‘reisgids’, waarin hij op basis van zijn eigen ervaringen en literaire bronnen zijn reis beschrijft. Hij vertelt over de plaatsen die hij bezocht heeft en beschrijft kerken en andere bezienswaardigheden, maar laat ook weten welke afstanden hij heeft afgelegd, welke route hij heeft genomen en wat de reistijd tussen verschillende plaatsen was. Eigenlijk schreef Nikulás in de 12e eeuw dus een van de eerste reisgidsen!
James Harris from Regency Chess emailed me and told me that his chess shop in Bath sells wonderful replicas of the Lewis Chess set by the National Museum of Scotland. They were made from laser scans of the original chess pieces.
Maihaugen in September. Lovely open air museum in Lillehammer, Norway. We had a wonderful day walking around.
Scandinavische mythologie
Berserkers
Als je aan een vikingkrijger denkt, zal misschien als eerste het beeld van een woest in zijn schild bijtende krijger in je opkomen. Die allesoverheersende woede was een van de vaardigheden van Odin om gevechten te winnen. Volgens een passage in Heimskringla is Odin in staat zijn vijanden in het gevecht blind, doof of bang te maken en hij maakt hun zwaarden zo bot dat ze er niet veel meer mee kunnen uitrichten dan met stokken. Odins mannen gaan het gevecht aan zonder maliënkolders en ze zijn woest als honden of wolven, bijten in hun schilden en ze zijn zo sterk als beren of stieren. Ze doden vele mensen, en vuur noch ijzer kan hen deren. Dit wordt berserkergang genoemd.
Berserkers worden al in vroege literaire bronnen met wolven en beren in verband gebracht en bedekken zich met huiden van deze dieren en hebben namen met de elementen ulf of bjørn. Er wordt zelfs gesuggereerd dat ze van gedaante kunnen veranderen. Ze vechten in groepen en er worden zware eisen gesteld aan krijgers die mee willen vechten. In Grettir’s Saga wordt verteld dat Grettir, een aspirant berserker, aan Bjorn, de leider van de berserkers, zijn kracht moet bewijzen door zijn mantel uit het hol van een beer te halen. Het lukt Grettir om de beer te doden en zijn mantel terug te pakken.
Over de berserkergang wordt geschreven dat het begint met klappertanden, rillen en een koud gevoel in het lichaam. Daarna zwelt het gezicht op en verandert het van kleur en wordt het hoofd ontzettend heet. Uiteindelijk uit de berserkergang zich in een ontembare woede waarbij de krijgers als wilde dieren huilen en over een bovenmenselijke kracht beschikken.
Berserkers worden in de sagas ook vaak beschreven als reuzen of trollen, omdat ze zo vreselijk lelijk zijn. In Orvar Odds saga wordt een berserker beschreven met zwart haar, waarvan een dikke lok zijn gezicht volledig bedekte zodat alleen zijn tanden en ogen zichtbaar waren. In Egils saga is de berserker Egil aanwezig bij een feest aan het hof van de Engelse koning Æþelstan. Egil wordt beschreven met zwarte ogen en doorlopende zware wenkbrauwen. Hij weigert tijdens zijn bezoek drank aan te nemen en blijft zijn wenkbrauwen steeds om en om optrekken. De koning vindt dat Egil zulke lelijke gezichten trekt dat hij hem uiteindelijk een gouden ring aanbiedt zodat hij ermee stopt.
De berserker en de berserkergang heeft een parallel in de Ierse mythologie waarin de zogenoemde ‘krijgerswoede’ zich bij de held CúChulain nog gruwelijker uit: Hij rilt over zijn hele lichaam waarna zijn lichaam naar achteren beginnen te buigen. Zijn knieën, kuiten en hielen verschuiven naar achteren en de spieren in zijn nek steken uit als bulten. Een oog dringt zich terug in zijn hoofd en de andere steekt uit tot over zijn wang. Zijn mond rekt uit tot aan zijn oren en het schuim stroomt uit zijn kaken. Zijn hartslagen klinken als een grote metalen drum en zijn haar staat in plukken scherp als speren overeind met aan elk uiteinde een vlam.
De berserkergang wordt in sommige gevallen “opgewekt” doordat de krijgers zich bedekken met wolven- of berenhuiden maar het kan ook spontaan optreden zoals in Egils saga. Hier wordt verteld over Skalla Grimr die zo opgewonden wordt van een langdurig balspel dat hij een jonge man doodt en zijn zoon aanvalt. Dit maakt ook duidelijk dat een man onder invloed van berserkergang geen onderscheid meer maakt tussen zijn familie en vijanden.
Als de krijgers uit de berserkergang komen, zijn ze veel zwakker dan normaal. In Egils saga wordt dit ook beschreven. Over Ulf, een gepensioneerde berserker, wordt gezegd dat hij nadat hij uit zijn berserkergang kwam zo moe en zwak was dat hij naar bed moest gaan. Helden maken gretig gebruik van deze zwakte in sagas en verslaan berserkers als ze uitgeteld en zwak van een gevecht terugkomen. Van de berserkers wordt ook gezegd dat ze van gedaante kunnen veranderen. Nu verwijst het woord berserk waarschijnlijk naar de berenvellen die deze krijgers droegen.
De oudste vermelding is in Haraldskvæði (‘Het lied van Harald Mooihaar’), waar berserkers worden omschreven als bloeddorstige krijgers, bedekt met wolvenhuiden en met speren die rood zijn van het bloed. Er is ook meer tastbaar bewijs overgeleverd: we zien ze met maskers en dierenvellen afgebeeld op een tapijt dat in de Oseberg grafheuvel samen met het beroemde Vikingschip gevonden is.
Scandinavische Mythologie
De regenboogbrug en Yggdrasil
Bifrost, de ‘bevende weg’ en Yggdrasil, de levensboom, zijn misschien wel de meest tot de verbeelding sprekende elementen uit de Scandinavische mythologie. In deze
aflevering krijgen ze dan ook de aandacht die ze verdienen.
Bifrost wordt ook wel de regenboogbrug genoemd, het is een brandende brug die de verbinding vormt tussen Midgard, de mensenwereld, en Asgard, de godenwereld. De brug wordt in twee gedichten van de Poëtische Edda genoemd. In Grímnismál, ‘het lied van de Gemaskerde’, waarin veel over de Oudnoordse scheppingsbeschrijving verteld wordt, staat dat de brug in lichterlaaie staat en dat daar Himinbjörg, het ‘hemelkasteel’ van Heimdal, staat
op de plek waar de brug de hemel raakt. Heimdal heerst over dit rijk en bewaakt de brug.
Heimdal is herkenbaar aan zijn grote hoorn, de Gjallarhorn, als hij erop blaast is het geluid in alle werelden te horen. Hij heeft minder slaap nodig dan een vogel en bezit een paard met gouden manen en tanden. Hij kan de toekomst zien en heeft het beste gehoor en zicht van alle goden.
In Fáfnismál, ‘het lied van Fáfnis’, voorspelt de draak Fáfnis dat tijdens Ragnarok, het einde der tijden, de regenboogbrug in stukken zal breken als de zonden van Vuurgesel bewapend en omringd met vuur over de brug rijden. In de proza-Edda wordt de brug met meer details beschreven. In Gylfaginning ‘de begoocheling van Gylfi’ staat dat de brug de hemel met de aarde verbindt en de bevende weg heet, hoewel sommigen noemen hem de
regenboogbrug noemen. De brandende brug heeft drie kleuren, is heel sterk en vakkundiger gemaakt dan alle andere bouwwerken. Omdat de Asen elke dag op hun paarden over de brug rijden, wordt hij ook wel de Asenbrug genoemd. De enige god die niet over de brug rijdt
is Thor, hij waadt door de kolkende rivieren naar de wereldboom Yggdrasil om daar recht te spreken. Er wordt ook uitgelegd dat de brug in brand staat zodat de brug niet voor iedereen zomaar toegankelijk is. Op deze manier kunnen de ijs- en bergreuzen niet via de brug naar
de hemel waar vele mooie plekken zijn die door de goden beschermd worden. Als extra voorzorgsmaatregel bewaakt Heimdal de brug ook nog vanuit zijn kasteel Himinbjörg tegen deze reuzen. Ook hier wordt al voorzien dat de brug tijdens Ragnarok zal breken als de troepen van Vuurgesel erover rijden.
Volgens Gylfaginning is de es Yggdrasil vlakbij de regenboogbrug te vinden. Yggdrasil is de wereldboom, die in het centrum van de wereld staat. De takken reiken tot ver
in de hemel en over de hele aarde. Onder deze boom, in het land van de reuzen, ligt de bron van Mimir. Dit is de bron waaruit Odin zo graag wil drinken dat hij een van zijn ogen opoffert.
Om de opperste wijsheid te krijgen, hangt hij zichzelf ook negen dagen op aan de takken van de boom. De wortels van Yggdrasil staan in verbinding met alle werelden. Heimdal verstopt zijn hoorn onder de wortels van de boom en Mimir gebruikt de hoorn om uit zijn bron te drinken.
Onder Yggdrasil is ook nog een andere bron, de bron van het lot. Hier leven de drie Nornen, Urd, Verandi en Skuld (Lot, Heden en Toekomst). De nornen bepalen het lot van de goden en de mensen. Elke dag halen ze water uit de bron, en leem dat rond de bron ligt. Dat mengen ze en gieten ze over Yggdrasil zodat de takken niet uitdrogen of wegrotten. De dauw die van de takken op aarde valt, is de honingdauw waar de bijen van leven. Het water uit de
bron van het Lot is zo heilig dat alles wat met de bron in aanraking komt, zo wit wordt als het vlies binnenin een eierschaal. In de bron leven twee zwanen. Op de takken van Yggdrasil zit een tweekoppige adelaar die over veel kennis beschikt. Tussen zijn ogen zit een havik. Deze brengt boodschappen naar de goden als er onheil dreigt. De eekhoorn Ratatosk rent steeds heen en weer om hatelijke boodschappen over te brengen tussen de adelaar en de draak Nidhogg die constant aan de wortels van Yggdrasil knaagt. Rondom de wortels krioelen ook twee oerslangen. Bij de stam leven vier herten met grote geweien, zij leven van de schors en de onderste bladeren en vruchten. De geit Heidrun eet van de bladeren in een kruin hogerop.
In tegenstelling tot de regenboogbrug, wordt Yggdrasil niet beschadigd bij Ragnarok. Als het einde van de wereld nadert, zal Yggdrasil beginnen te beven. De enige twee menselijkenoverlevenden zullen zich in de takken van Yggdrasil schuilhouden.
Dat Bifrost en Yggdrasil nog steeds tot de verbeelding spreken, blijkt uit de vele keren dat ze in de moderne kunst verbeeld worden of op een andere manier verschijnen. Recent heeft de Noorse fotograaf Espen Krukhaug bijvoorbeeld slapeloosheid vergeleken
met Bifrost als een eindeloze brug waarvan de andere kant nooit bereikt wordt, het
gelijknamige boek staat vol dromerige beelden en nachtelijke buitenopnames.
CF